Kruidig allerlei

Voorjaarskruiden

Het is nog koud en vaak ook nat
De winter lijkt maar voort te duren
De sneeuwklokjes zijn er, dat is al wat
Maar ze staan nog naar de grond te turen

De vogels beginnen aan hun eerste fluitconcert
Alsof ze de lente al kunnen ruiken
De eerste akkoorden worden aarzelend ingezet
Het zingt niet zo makkelijk met die lege buiken!

Maar weldra zal het voorjaar zijn
Daarvan zijn zij de tjilpende herauten
Dan zal alles weer baden in zonneschijn
Daarop stellen zij vast hun vertrouwen

Dan komen de madeliefjes met hun onschuldige blik
De grasvelden en bermen weer vrolijk bewonen
de hondsdraf bloeit welig in tapijten paars en dik
vlakbij die stekelige, prikkelende schonen

Nee, niet schoon van uiterlijk, maar vooral van binnen
Door het uiterlijk moet je heen kunnen zien
Zij helpen als geen ander een reiniging te beginnen
En zijn daardoor niet alleen cool, maar ook zeer clean!

Nog een voorjaarsbloeier is er al snel bij
Dat is ook al niet zo’n gewaardeerde gast
Maar met zoveel kwaliteiten ben je vast blij
Dat de paardebloem zich zo makkelijk aanpast
Hij bloeit in de berm, het weiland en het gazon
En is zowel geneeskrachtig als culinair zeker niet mis
Als je wist wat je met die paardebloem allemaal
kon
Zou men hem niet meer smalend noemen: blommetje-pis

Eet van de paardebloemen het jonge blad
En zet eens een reinigend kopje thee
Neem een verkwikkend berkenblaadjesbad
Zoek robertskruid, hondsdraf en weegbree!

Ach ja… het voorjaar, wat verlangen we er toch naar
Om verkwikt en verwarmd te worden door zonnestralen
En het is dan zo goed om dat vermoeide winterse lijf
Wat te verrijken met natuurlijke vitaminen en mineralen.

 

 

Sneeuwklokjes

Sneeuwklokjes, klein en teer
Keren ieder jaar maar weer
Ondanks regen, sneeuw en ijs
Raken ze niet van de wijs

Als doodse stilte en vredige rust
Over de aarde ligt als een deken
Zijn het jouw groene sprietjes die heel bewust
De aarde uitschieten, als eerste levensteken

Wanneer dan je witte klokjes komen
Luiden ze met stille klank
“de lente komt, ga maar dromen
ik ben de voorjaarsbode, klein en blank”

In de grauwe sluier die nog heerst
Word jij als heraut naar voren geschoven
En mag je roepen, als allereerst:
Het leven begint weer, kom toch boven!

En dan zullen ze volgen, je broers en zussen
De krokussen, de narcissen, in al hun pracht
Maar jíj mocht ze wakker kussen
Uit de lange koude winternacht!

© Corrine Baard
2003

 

LIED VAN EEN BLOEMEN-ELF

Licht en luchtig zweef ik
Over bloemenvelden heen
Met al die bonte zomerkleuren
Voel ik mij nooit alleen.
Het warme rood van de papaver
Of klaproos, zo je wil
Het blauwe blauw van korenbloemen
En het geel van tormentil
Wit en geel, de madeliefjes
Vaak verscholen in het groen
En dan natuurlijk de margrieten
Die daar niet voor onder doen.
Wat een pracht, wat een schoonheid
Wat een geurenfeest
Is er ooit op deze aarde
Een mooier beeld dan dit geweest?

Ik verzorg ze, als een moeder
Want ze zijn soms teer en zacht
Maar vooral geef ik ze liefde
Zonlicht, water en veel kracht.
En ze groeien en ze bloeien
En ze staan voor iedereen
Om te genieten van hun schoonheid
Want daar kun je niet omheen!

Een ding vraag ik aan de wereld
Als de hoedster van het veld
In ruil voor alles wat ze geven
Is toch niet teveel gesteld
Dat je even vraagt, voor ’t plukken,
Of het goed is, dat je neemt
En ze zal met vreugd’ je schenken
Maar laat haar niet geheel ontheemd.
Pluk voorzichtig en met mate
Doe daar dan je voordeel mee
Hetzij voor koken of voor genezing
Voor een boeket of voor de thee

Heerlijk zijn de zomervelden
In de warme zonnewind
En ik zweef van bloem tot bloem
Als een vrolijk bloemenkind
Samen met mijn soortgenoten
Geef ik het beste van mijn kracht
Dat bestaat vooral uit liefde
En wie had dat ooit gedacht?
Of ’t nou bloemen zijn of mensen
Ieder gedijt toch wel het best
Met wat zorg en heel veel liefde
En Moeder Natuur doet dan de rest.

© Corrine Baard
2003